← Alle artikelen

Wie moet er eigenlijk het meeste loslaten?

Het is een van de eerlijkste dingen die wij onderweg leerden, en het was niet het makkelijkste om toe te geven: het is vaak niet het kind dat moeite heeft met loslaten. Vaak zijn wij dat.

Wat we onszelf wijsmaakten

Je let op je kind. Je zoekt naar tekenen dat de wissel te zwaar is, dat het missen te groot wordt, dat gedeelde zorg iets kapotmaakt. En soms zijn die tekenen er ook — kinderen mogen verdriet hebben, en dat verdient aandacht. Maar wat wij vaak zagen, was iets anders: een kind dat na een korte drempel gewoon weer ging spelen, terwijl wij nog met een brok in de keel in de gang stonden.

We projecteerden ons eigen gemis op het kind. “Hij zal het wel zwaar hebben” was soms in werkelijkheid “ík vind dit zwaar”. En dat is niet gek. De week zonder je kind is stil. Het huis voelt te ruim. Je mist iemand die er gewoon niet is. Maar het is wél iets om te herkennen, omdat het uitmaakt voor hoe je de wissel beleeft — en voor wat je onbedoeld aan je kind laat zien.

Waarom dit inzicht helpt

Toen we dat eenmaal doorhadden, werd de wisseldag lichter. Niet omdat het gemis verdween, maar omdat we ophielden ons kind te behandelen alsof het ons verdriet moest dragen. Een kind dat merkt dat de ouder het afscheid nauwelijks aankan, gaat zich zorgen maken over de ouder. Een kind dat merkt dat de ouder het redt, kan zelf ook makkelijker gaan.

Loslaten bleek voor ons dus vooral eigen werk. Het afscheid kort houden, warm zwaaien, en dan naar binnen — en daar, in dat lege huis, je eigen ding een plek geven. Niet wegstoppen, wel dragen. Dat is iets anders dan het op het kind leggen.

En dan de vraag die ons dit alles opleverde — geen les, gewoon iets wat ons hielp: als de wisseldag zwaar voelt, vraag jezelf dan eens eerlijk af wie er nou eigenlijk het meeste moet loslaten. Soms is het antwoord bevrijdend — en verrassend vaak ben jij het.